Vervoeging van het werkwoord interagieren in alle Duitse tijden

Hier zijn de vervoegtabellen van het werkwoord interagieren in het Duits. Om de vervoeging van een ander Duits werkwoord te zoeken, kun je hier klikken.

Vervoeging van het werkwoord "interagieren" in de Indikativ tijd

De Indikativ tijd is de meest gebruikte vervoeging in het Duits. Ze maken het mogelijk om een echt feit of echte actie uit te drukken zonder af te wijken van de realiteit.

Präsens

  • ich interagiere
  • du interagierst
  • er/sie/es interagiert
  • wir interagieren
  • ihr interagiert
  • Sie interagieren

Perfekt

  • ich habe interagiert
  • du hast interagiert
  • er/sie/es hat interagiert
  • wir haben interagiert
  • ihr habt interagiert
  • Sie haben interagiert

Präteritum

  • ich interagierte
  • du interagiertest
  • er/sie/es interagierte
  • wir interagierten
  • ihr interagiertet
  • Sie interagierten

Plusquamperfekt

  • ich hatte interagiert
  • du hattest interagiert
  • er/sie/es hatte interagiert
  • wir hatten interagiert
  • ihr hattet interagiert
  • Sie hatten interagiert

Futur I

  • ich werde interagieren
  • du wirst interagieren
  • er/sie/es wird interagieren
  • wir werden interagieren
  • ihr werdet interagieren
  • Sie werden interagieren

Futur II

  • ich werde interagiert haben
  • du wirst interagiert haben
  • er/sie/es wird interagiert haben
  • wir werden interagiert haben
  • ihr werdet interagiert haben
  • Sie werden interagiert haben

Vervoeging van het werkwoord "interagieren" in de Imperativ, de Partizip tijd en de Infinitiv

De Imperativ en de Partizip tijd in Duitse vervoeging. Ze komen vaak voor.

De Imperativ wordt in het Duits gebruikt om orders te geven, iets te eisen van iemand of om iemand te vragen iets te doen. Deze wijs wordt vaak gebruikt in het Duits. De Partizip I en de Partizip II worden gebruikt in plaats van vervoegde werkwoorden of bijvoeglijke naamwoorden.

Imperativ Präsens

  • interagiere (du)
  • interagieren wir
  • interagiert ihr
  • interagieren Sie

Infinitiv - Präsens

  • interagieren

Infinitiv - Perfekt

  • interagiert haben

Partizip Präsens

  • interagierend

Partizip Perfekt

  • interagiert

Vervoeging van het werkwoord "interagieren" in de Konjunktiv I in het Duits

De hoofdfunctie van de Konjunktiv I in het Duits is indirect spreken, deze tijd wordt minder gebruikt in het Duits.

Konjunktiv I Präsens

  • ich interagiere
  • du interagierest
  • er/sie/es interagiere
  • wir interagieren
  • ihr interagieret
  • Sie interagieren

Konjunktiv I Perfekt

  • ich habe interagiert
  • du habest interagiert
  • er/sie/es habe interagiert
  • wir haben interagiert
  • ihr habet interagiert
  • Sie haben interagiert

Konjunktiv I Futur I

  • ich werde interagieren
  • du werdest interagieren
  • er/sie/es werde interagieren
  • wir werden interagieren
  • ihr werdet interagieren
  • Sie werden interagieren

Konjunktiv I Futur II

  • ich werde interagiert haben
  • du werdest interagiert haben
  • er/sie/es werde interagiert haben
  • wir werden interagiert haben
  • ihr werdet interagiert haben
  • Sie werden interagiert haben

Vervoeging van het werkwoord "interagieren" in de Konjunktiv II in het Duits.

De Konjunktiv II wordt hoofdzakelijk gebruikt om het onechte uit de drukken in het Duits. Deze tijd wordt niet vaak gebruikt.

Dit creëert een gat tussen spraak en werkelijkheid. De Konjunktiv II wordt gebruik om een hypothese, wens of een zin met een voorwaarde uit te drukken. Deze tijd wordt ook gebruik voor conventionele beleefde uitdrukking in het Duits.

Konjunktiv II Präteritum

  • ich interagierte
  • du interagiertest
  • er/sie/es interagierte
  • wir interagierten
  • ihr interagiertet
  • Sie interagierten

Konjunktiv II Plusquamperfekt

  • ich hätte interagiert
  • du hättest interagiert
  • er/sie/es hätte interagiert
  • wir hätten interagiert
  • ihr hättet interagiert
  • Sie hätten interagiert

Konjunktiv II Futur I

  • ich würde interagieren
  • du würdest interagieren
  • er/sie/es würde interagieren
  • wir würden interagieren
  • ihr würdet interagieren
  • Sie würden interagieren

Konjunktiv II Futur II

  • ich würde interagiert haben
  • du würdest interagiert haben
  • er/sie/es würde interagiert haben
  • wir würden interagiert haben
  • ihr würdet interagiert haben
  • Sie würden interagiert haben

Zoek naar de vervoeging van een ander werkwoord in het Duits

Andere willekeurige werkwoorden om te ontdekken: ausbürstenbrummenhinausfahrenhineinarbeitenimpastiereninsultierenintensiviereninteressierenintervenierenkiebitzenlockermachennachuntersuchenstiemenvergönnen