Vervoeging van het werkwoord inflationieren in alle Duitse tijden

Hier zijn de vervoegtabellen van het werkwoord inflationieren in het Duits. Om de vervoeging van een ander Duits werkwoord te zoeken, kun je hier klikken.

Vervoeging van het werkwoord "inflationieren" in de Indikativ tijd

De Indikativ tijd is de meest gebruikte vervoeging in het Duits. Ze maken het mogelijk om een echt feit of echte actie uit te drukken zonder af te wijken van de realiteit.

Präsens

  • ich inflationiere
  • du inflationierst
  • er/sie/es inflationiert
  • wir inflationieren
  • ihr inflationiert
  • Sie inflationieren

Perfekt

  • ich habe inflationoren
  • du hast inflationoren
  • er/sie/es hat inflationoren
  • wir haben inflationoren
  • ihr habt inflationoren
  • Sie haben inflationoren

Präteritum

  • ich inflationor
  • du inflationorst
  • er/sie/es inflationor
  • wir inflationoren
  • ihr inflationort
  • Sie inflationoren

Plusquamperfekt

  • ich hatte inflationoren
  • du hattest inflationoren
  • er/sie/es hatte inflationoren
  • wir hatten inflationoren
  • ihr hattet inflationoren
  • Sie hatten inflationoren

Futur I

  • ich werde inflationieren
  • du wirst inflationieren
  • er/sie/es wird inflationieren
  • wir werden inflationieren
  • ihr werdet inflationieren
  • Sie werden inflationieren

Futur II

  • ich werde inflationoren haben
  • du wirst inflationoren haben
  • er/sie/es wird inflationoren haben
  • wir werden inflationoren haben
  • ihr werdet inflationoren haben
  • Sie werden inflationoren haben

Vervoeging van het werkwoord "inflationieren" in de Imperativ, de Partizip tijd en de Infinitiv

De Imperativ en de Partizip tijd in Duitse vervoeging. Ze komen vaak voor.

De Imperativ wordt in het Duits gebruikt om orders te geven, iets te eisen van iemand of om iemand te vragen iets te doen. Deze wijs wordt vaak gebruikt in het Duits. De Partizip I en de Partizip II worden gebruikt in plaats van vervoegde werkwoorden of bijvoeglijke naamwoorden.

Imperativ Präsens

  • inflationiere (du)
  • inflationieren wir
  • inflationiert ihr
  • inflationieren Sie
  • inflationier (du)
  • inflationieren wir
  • inflationiert ihr
  • inflationieren Sie

Infinitiv - Präsens

  • inflationieren

Infinitiv - Perfekt

  • inflationoren haben

Partizip Präsens

  • inflationierend

Partizip Perfekt

  • inflationoren

Vervoeging van het werkwoord "inflationieren" in de Konjunktiv I in het Duits

De hoofdfunctie van de Konjunktiv I in het Duits is indirect spreken, deze tijd wordt minder gebruikt in het Duits.

Konjunktiv I Präsens

  • ich inflationiere
  • du inflationierest
  • er/sie/es inflationiere
  • wir inflationieren
  • ihr inflationieret
  • Sie inflationieren

Konjunktiv I Perfekt

  • ich habe inflationoren
  • du habest inflationoren
  • er/sie/es habe inflationoren
  • wir haben inflationoren
  • ihr habet inflationoren
  • Sie haben inflationoren

Konjunktiv I Futur I

  • ich werde inflationieren
  • du werdest inflationieren
  • er/sie/es werde inflationieren
  • wir werden inflationieren
  • ihr werdet inflationieren
  • Sie werden inflationieren

Konjunktiv I Futur II

  • ich werde inflationoren haben
  • du werdest inflationoren haben
  • er/sie/es werde inflationoren haben
  • wir werden inflationoren haben
  • ihr werdet inflationoren haben
  • Sie werden inflationoren haben

Vervoeging van het werkwoord "inflationieren" in de Konjunktiv II in het Duits.

De Konjunktiv II wordt hoofdzakelijk gebruikt om het onechte uit de drukken in het Duits. Deze tijd wordt niet vaak gebruikt.

Dit creëert een gat tussen spraak en werkelijkheid. De Konjunktiv II wordt gebruik om een hypothese, wens of een zin met een voorwaarde uit te drukken. Deze tijd wordt ook gebruik voor conventionele beleefde uitdrukking in het Duits.

Konjunktiv II Präteritum

  • ich inflationöre
  • du inflationörest
  • er/sie/es inflationöre
  • wir inflationören
  • ihr inflationöret
  • Sie inflationören
  • ich inflationöre
  • du inflationörst
  • er/sie/es inflationöre
  • wir inflationören
  • ihr inflationört
  • Sie inflationören

Konjunktiv II Plusquamperfekt

  • ich hätte inflationoren
  • du hättest inflationoren
  • er/sie/es hätte inflationoren
  • wir hätten inflationoren
  • ihr hättet inflationoren
  • Sie hätten inflationoren

Konjunktiv II Futur I

  • ich würde inflationieren
  • du würdest inflationieren
  • er/sie/es würde inflationieren
  • wir würden inflationieren
  • ihr würdet inflationieren
  • Sie würden inflationieren

Konjunktiv II Futur II

  • ich würde inflationoren haben
  • du würdest inflationoren haben
  • er/sie/es würde inflationoren haben
  • wir würden inflationoren haben
  • ihr würdet inflationoren haben
  • Sie würden inflationoren haben

Zoek naar de vervoeging van een ander werkwoord in het Duits

Andere willekeurige werkwoorden om te ontdekken: ausbaggernbotanisierenhinaufschauenhinbekommenhumanisierenineinandersetzeninfiziereninformiereninkarnierenkasteienlenkennachschlagenstapfenverfremden